
Oliën en vetten passen volgens de Gezondheidsraad uitstekend in een gezond voedingspatroon. Maar hoe is het gesteld met de inname van vet en vetzuren in Nederland? Worden de aanbevelingen gehaald?
Daling van transvetzuren en verzadigde vetzuren
Zowel de inname van totaal vet, van transvetzuren, als die van verzadigde vetzuren is de laatste twintig jaar gedaald. Tussen 1988 en 1998 daalde de inname van transvetzuren zelfs met bijna 60%. Dit komt onder andere door verlaging van het transvetzuurgehalte in margarines en bak- en braadproducten. Resultaten van de laatste voedselconsumptiepeiling laten zien dat hierdoor de gemiddelde consumptie van transvetzuren gedaald is tot bijna de aanvaardbare bovengrens van één energieprocent. De consumptie van verzadigd vet is ook gedaald maar de aanbeveling voor verzadigd vet van maximaal 10 energieprocent wordt door slechts 11 procent van de mannen en 6 procent van de vrouwen gehaald.
Prioriteit bij verlagen verzadigde vetzuren
Door de sterke daling van de hoeveelheid transvetzuren in de Nederlandse voeding is het gezondheidsrisico hiervan op bevolkingsniveau ondergeschikt geworden aan dat van verzadigde vetzuren. Waar de gemiddelde consumptie van transvetzuren al de aanvaardbare bovengrens benadert, is dit voor verzadigde vetzuren nog lang niet het geval. Daarom concludeert de Gezondheidsraad dat prioriteit gegeven moet worden aan de verlaging van verzadigd vet.
